Selecteer een pagina

Over risicoanalyse en het immuunsysteem

De meeste paardenmensen hebben het wel mee gekregen, social media kanalen stonden vol met berichten. Er heerst paardeninfluenza in Nederland.
Ik vind het best bijzonder – en vraag me gelijk af hoe het komt – dat er zoveel commotie om een relatief onschuldige ziekte ontstaat, terwijl er op dit moment ook uitbraken zijn van de neurologische vorm van rhinopneumonie, een ziekte die veel heftiger is en veel ernstiger gevolgen kan hebben, tot de dood aan toe.  Maar daar lees ik eigenlijk niks over.

Vorige week kreeg ik een nieuwsbrief van de dierenartspraktijk waar ik, indien nodig, gebruik van maak voor mijn paarden, met als belangrijkste onderwerp de paardengriep. Hoewel ik absoluut geen anti-vaccinatiepreek wil houden, vind ik daar toch wat van.
Of je je dier wel of niet, en zo ja, hoe vaccineert is een persoonlijke keus die ieder voor zich moet maken vind ik. Ik meng me doorgaans niet in discussies over wel of niet vaccineren en wil die hier ook zeker niet mee uitlokken. Ik informeer alleen zodat eigenaren op basis van bredere kennis een weloverwogen keuze kunnen maken.
En daar zit ‘m nu een beetje de crux… Die weloverwogen keuze wordt lastig gemaakt als informatie onvolledig of – laat ik het netjes zeggen – door belangenverstrengeling gekleurd is.
Want in diezelfde nieuwsbrief wordt geadviseerd om – wanneer je paard langer dan 6 maanden niet gevaccineerd is – je paard nu alsnog te vaccineren. En dat is iets wat ik – of je nu wel of niet ‘pro-vaccineren’ bent – toch sterk zou afraden.

Wel of niet vaccineren is eigenlijk een afweging van risico’s. Hoe ernstig is de ziekte waarvoor je vaccineert en wat zijn eventueel de gevolgen van die ziekte, hoe goed helpt het vaccin daartegen en wat voor nadelen zitten er aan vaccineren.
Ook al ben ik niet persé voor of tegen, ik ben zéker een voorstander van ‘zo min mogelijk’ en wat ‘mogelijk’ is, is voor elk paard en elke eigenaar weer anders. En ik vind wél dat je het aan je dieren verplicht bent jezelf goed te informeren en niet klakkeloos doet wat een ander (dierenarts, sportorganisatie, stalhouder) zegt dat je zou moeten doen. Dus kennis van de ziektes waar tegen je wel of niet wilt vaccineren en weten wat er eventueel mis kan gaan bij vaccinatie, zodat je die beslissing goed geïnformeerd en weloverwogen zelf kunt nemen.
Hoe vertaalt zich dat nu naar influenza.

Het virus wat op dit moment rond gaat is volgens de eerder genoemde nieuwsbrief zeer waarschijnlijk meegekomen met paarden die eind november op een internationaal concours in Parijs zijn geweest. Let wel, voor internationale wedstrijden moeten paarden verplicht elke 6 maanden(!) gevaccineerd worden en toch was dat kennelijk niet afdoende om te voorkomen dat ze het virus mee naar Nederland namen, maar ook niet voldoende om te voorkomen dat ze ziek werden, want ook paarden die goed (lees korter dan 6 maanden) gevaccineerd waren, werden ziek.
Bedenk je als eigenaar eens wat dat nou eigenlijk betekent voor de effectiviteit van  vaccineren tegen influenza. Je wordt verplicht elke 6 tot 12 maanden weer een vaccinatie in je paard te spuiten maar dit geeft kennelijk niet afdoende bescherming tegen het alsnog krijgen en(/of?) overdragen van influenza.
En dat is vrij logisch. Want net als bij mensen, bestaan er meerdere influenza-stammen die elk jaar kunnen verschillen én kunnen muteren. In de vaccins die op dit moment in Nederland op de markt zijn komen totaal  10 verschillende influenza-stammen voor, maar elk vaccin bevat maar 2 of 3 verschillende stammen. Nu lijken sommige stammen zo op elkaar dat er sprake is van zgn. kruisimmuniteit, waarbij vaccinatie met 1 stam ook afweer tegen een sterk gelijkende stam teweeg brengt. Maar het betekent nog steeds dat je  – ongeacht welk merk vaccin je gebruikt – je maar tegen een klein aandeel van alle influenza-stammen beschermt. Het virus wat nu rond gaat is een ander virus dan wat in de gebruikelijke influenza-vaccins zit en een aangepast vaccin maken duurt te lang om nu nog zin te hebben. Voor mensen wordt elk jaar voorspeld welke virusstammen het meest voor gaan komen en dus in het griepvaccin van dat jaar moeten zitten, dit wordt voor paarden niet gedaan. Je vaccineert dus altijd maar tegen 2 of 3 dezelfde stammen, zeker als je bij elke vaccinatie het zelfde merk vaccin gebruikt.

Influenza wordt voornamelijk overgedragen via ‘aerogene druppelinfectie’ dat wil zeggen dat door hoesten of briesen virushoudende druppeltjes in de lucht worden verspreidt, die dan door een potentieel slachtoffer worden ingeademd. De besmettingsdosis voor aerogene besmetting (via de luchtwegen dus) is heel laag, in de orde van één of enkele virusdeeltjes. De infectiedosis voor besmetting via contact , dus bijvoorbeeld door mensenhanden of voorwerpen, is vele malen hoger, daarvoor zijn heel veel virusdeeltjes nodig (bijvoorbeeld een klodder snot aan je handen en daarmee aan de neus van een ander paard zitten). Virushoudende druppeltjes blijven het langst besmettelijk in droge en koude lucht (uren tot dagen), maar worden snel inactief in natte en warme lucht evenals onder inwerking van zonlicht. De kans op besmetting is het grootst in besloten, drukbezochte ruimten (b.v. op stal en hoe meer paarden op een stal hoe groter de kans op besmetting). In de open lucht wordt het virus snel verdund waardoor de kans op besmetting snel afneemt.
De besmettelijke periode is afhankelijk van de stam en omstandigheden  1 tot 6 dagen na het begin van de ziekteverschijnselen. Besmette paarden kunnen dus al besmettelijk zijn voor andere paarden voordat ze ziekteverschijnselen laten zien.
Het hoge risico op besmetting is dus redelijk eenvoudig te verlagen door contact met vreemde paarden te vermijden, voldoende hygiëne-maatregelen te nemen en paarden zo min mogelijk in een gesloten ruimte bij elkaar te zetten.

Natuurlijk zijn er uitzonderingen en zijn er paarden met verhoogd risico zoals paarden met bestaande klachten, oude paarden of jonge veulens, maar normaal gesproken is influenza een heel vervelende maar niet dodelijke aandoening. Je paard is een tijdje ziek, kan hoge koorts hebben, hoesten en neusuitvloeiing hebben. Als er geen complicaties optreden zal de koorts al na enkele dagen zakken en is de ziekteduur maar 2 tot 10 dagen. Herstel naar de oude conditie kan wel nog 1 of 2 weken duren. Hoe vervelend ook, in principe zijn die klachten – regulier maar ook homeopathisch –  goed te behandelen en gaan ze weer over, in de meeste gevallen zonder dat een paard daar blijvende gevolgen van hoeft over te houden.  Blijvende gevolgen ontstaan vaak wanneer de ziekte verwaarloosd of onderschat wordt of behandeling onvolledig of te kort duurt. Met name met behulp van homeopathie behandel je niet alleen op de uiterlijke symptomen van de influenza maar ook op het feit dat je paard het kreeg, de verminderde weerstand die daar aan ten grondslag lag en door die mee te nemen in de behandeling, voorkom je ook dat klachten chronisch worden of verwaarloosd raken.

Als we in een risicoanalyse over influenza hebben geldt dus het volgende:
De besmettelijkheid van de ziekte, dus het risico dat ze het krijgen – is relatief hoog, maar de impact – dus het risico op ernstige gevolgen – is relatief laag.
Verder hebben we een vaccin wat niet afdoende bescherming bied.
Dan is er nog 1 factor om mee te nemen in die risicoanalyse en dat zijn de nadelen van vaccinatie.

Een belangrijk nadeel – en de belangrijkste rede waarom je in mijn ogen juist tijdens een uitbraak niet zou moeten vaccineren – vergt wat uitleg over het immuunsysteem. Dit is een zeer complex systeem wat niet ‘even simpel’ is uit te leggen maar ik ga een poging doen (waarbij ik zeker niet volledig ben, maar voor het begrip van de gevolgen is dit voldoende).

Kort door de bocht kun je zeggen dat het immuunsysteem uit twee hoofdonderdelen – fases eigenlijk –  bestaat, met elk weer twee componenten.
Om te beginnen heeft elk levend wezen een aspecifiek of aangeboren immuniteit die, zoals het woord al zegt, niet specifiek op één ziekteverwekker gericht is maar op alle lichaamsvreemde stoffen die het lichaam binnen komen.
Deze algemene afweer bestaat uit een eerstelijns afweer en een tweedelijns afweer.
De eerstelijns afweer is de fysieke barrière die het lichaam heeft tegen indringers van buitenaf. Huid, slijmvliezen op het lichaam maar ook in bijv. longen en darmen vormen de eerste barrière en bescherming tegen ziekteverwekkers. Ook speeksel en maagzuur horen hier bij, zij doden bacteriën voordat ze het lichaam kunnen binnen dringen.
Wanneer een ziekteverwekker deze barrière toch weet te passeren komt het in het bloed in aanraking met de tweedelijnsafweer. Deze afweer bestaat uit een verzameling van verschillende witte bloedcellen met elk hun eigen functie in het ‘aanvallen’ van ziekteverwekker. Het grootste deel van die verschillende witte bloedcellen zijn zogenaamde fagocyten, cellen die in staat zijn een lichaamsvreemde cel a.h.w. in te kapselen en af te breken (phagein is Grieks voor ‘verslinden’, cyt = cel in de biologie). De fagocyten verplaatsen een deel van de ziekteverwekker, het antigeen, naar receptoren op zijn eigen celwand. Dit is van belang voor de volgende fase.

Hierna komt het specifieke of verworven afweersysteem in werking. Dit deel van het immuunsysteem ontwikkelt zich gedurende het leven van mens of dier en richt zich met behulp van gespecialiseerde afweercellen telkens op één specifieke  ziekteverwekker. Dit is het systeem wat we met vaccinatie aan willen spreken.
Dit systeem bestaat uit een humorale afweer (humor = vloeistof dus afweer in bloed en lymfe) en cellulaire afweer. Voor de humorale afweer zijn B-lymfocyten de belangrijkste cellen, zij werken voornamelijk op virussen en bacteriën die zich in de bloedbaan en het lymfestelsel bevinden en nog niet in een cel zijn binnengedrongen. Voor de cellulaire afweer zijn de T-lymfocyten verantwoordelijk. Zowel B- als T-lymfocyten hebben cel-receptoren op hun celmembraan, waarmee ze zich kunnen binden aan een bepaald antigeen.

Wanneer een B-cel nog niet in aanraking is geweest met een antigeen en zich dus nog niet gespecialiseerd heeft, noemen we dit een naïeve B-cel. Pas wanneer een naïeve B-cel in aanraking komt met een antigeen waar hij op past, gaat hij zich delen in plasmacellen en geheugen-B-cellen. Plasmacellen produceren antilichamen tegen het specifieke antigeen waar de B-cel op paste en deze antilichamen vallen de betreffende ziekteverwekker rechtstreeks aan. De geheugen-B-cellen zorgen er voor dat wanneer een ziekteverwekker opnieuw het lichaam binnen komt, er in veel kortere tijd meer antilichamen gemaakt worden.
Geheugencellen blijven heel lang in leven, bij mensen wordt dat op zo’n 12 tot 15 jaar geschat. (Je kunt je dus afvragen hoe nodig het is om paarden jaarlijks tegen bijv. tetanus te vaccineren, terwijl het bij mensen ongeveer elke 10 tot 15 jaar nodig is). Deze geheugencellen worden opgeslagen in het beenmerg en lymfeknopen en ze zijn niet als zodanig herkenbaar. Ze zien er uit als gewone B-cellen en zijn daarom ook niet meetbaar. Antilichamen blijven ook heel lang  in het bloed circuleren en deze zijn wel meetbaar. Dit is wat we meten als we titeren.

Voor het kunnen herkennen van een antigeen en het op gang brengen van de deling heeft de B-cel een T-helpercel nodig. T-cellen zijn het cellulaire component van het specifieke immuunsysteem en er bestaan zowel T-‘killer’cellen als T-helpercellen.
Een T-killercel kan een geïnfecteerde lichaamseigen cel herkennen doordat de cel die door een virus is geïnfecteerd antigene deeltjes van dit virus op de buitenkant van de celwand plaats. De killercel herkent en vernietigd deze cel waarna fagocyten de virus-en celdeeltjes kunnen opruimen. De T-‘killercel’ zal zich hierna weer gaan delen in nieuwe T-killercellen en geheugen-T-killercellen voor toekomstige besmettingen.
T-helpercellen hechten zich aan het antigeen wat zich op een fagocyt bevind en geeft deze informatie door aan naïeve B-cellen. Wanneer dit gebeurt gaat zowel de T-helpercel als de B-cel een stof produceren die celdeling op gang brengt. Hierdoor worden andere T-helpercellen, de B-cellen (voor de humorale immuniteit) en de T-killercellen (voor de cellulaire immuniteit) gestimuleerd om te delen en zo ontstaat een kettingreactie voor een snelle afweerreactie.

De T-helpercellen zijn onder te verdelen in twee typen:
Th1-cellen spelen een belangrijke rol bij het activeren van fagocyten en de productie van B-geheugencellen. Ze horen bij het cellulaire afweersysteem. Th2-cellen zijn direct verantwoordelijk voor herkenning en productie van antilichamen door de B-cellen. Deze horen bij het humorale afweersysteem.
Het lichaam maakt niet tegelijk Th1-cellen en Th2-cellen aan maar produceert deze cellen afhankelijk van de fase waarin het immuunsysteem werkzaam is. En dat is een heel belangrijk gegeven bij vaccinatie!
Op het moment dat je paard gevaccineerd wordt, worden in eerste instantie met name de naïeve B-cellen gestimuleerd om specifieke antilichamen te maken tegen het antigeen waarmee je vaccineert. Dat vraagt om activatie en productie van Th2-cellen waardoor de productie en activatie van Th1-cellen sterk verminderd is. Hierdoor is de cellulaire afweer tijdelijk onderdrukt, waardoor er vlak na een vaccinatie meer kans is op bacteriële infecties, tumorgroei en andere virusinfecties dan die waartegen gevaccineerd wordt.
Vaccineer je dus nu met een influenza-vaccin waarin de huidige influenza-stam niet vertegenwoordig is, dan maak je je paard dus juist vatbaarder voor dat virus omdat je zijn weerstand verlaagt door het vaccineren. Daarnaast maak je je paard door vaccineren dus altijd tijdelijk vatbaarder voor allerlei andere ziektes, iets wat – zeker met de heersende neurologische vorm van rhino nog in het achterhoofd – niet het meest wenselijke effect is. En dit is gelijk ook de rede waarom het zo onverstandig is om je paard te laten vaccineren als het iets onder de leden heeft. Het immuunsysteem komt onder druk te staan en zelfs deels plat te liggen waardoor bestaande kleine klachten ineens ‘voet aan de grond’ kunnen krijgen en veel ernstiger en/of chronisch kunnen worden.
Het afweersysteem is als het ware een stappenplan of kettingreactie waarbij de ene stap noodzakelijk is voor het ontstaan van de volgende stap. De verschillende fases staan niet los van elkaar maar hebben elkaar nodig voor een goede activering van de processen binnen dat afweerstysteem. Door met een naald een ziekteverwekker rechtstreeks in het lichaam te brengen sla je een aantal stappen in de activatie dat afweersysteem over waardoor het lichaam onvoorbereid moet reageren op de ziekteverwekker. De reactie kan mede daardoor niet altijd de gewenste zijn. Overreactie in de vorm van een allergische reactie komt regelmatig voor maar ook te weinig reactie, waardoor een vaccinatie onvoldoende effect heeft en je paard dus lang niet zo beschermd is als je dacht.

Daarnaast is er nog iets anders aan de hand met die vaccins. Om een vaccin te maken wordt er gebruik gemaakt van heel veel verschillende hulpstoffen – adjuvantia – en  die zijn lang niet allemaal onschuldig. Een reactie zoals allergie, het ontstaan van een ontsteking of tumor of erger nog, neurologische symptomen, zijn in de meeste gevallen het gevolg van de hulpstoffen in een vaccin.
Het gaat hier te ver om deze te bespreken, de lijst van adjuvantia en hulpstoffen en hun effecten is behoorlijk lang, maar het is zeker iets om rekening mee te houden. Wie hier meer over wil lezen verwijs ik graag naar de website dierenvaccins.nl , hier vind je zeer uitgebreide informatie over vaccinatie bij honden, katten en paarden, inclusief een vrij lange lijst van adjuvantia en hulpstoffen.

Goed, we hebben nu dus een risicoanalyse van wel of niet vaccineren tegen influenza op dit moment. Wat je beslist hangt volledig af van je eigen situatie, jouw paard (hoe gezond is hij op dit moment), maar aan de hand van bovenstaande informatie zou een heel terechte conclusie kunnen zijn dat op dit moment vaccineren niet de handigste optie is.

Wat dan wel…
In plaats van nu vaccineren is het verstandig om te zorgen dat je paard zo min mogelijk in aanraking komt met vreemde paarden. Dat zoiets op een stal met 50 of misschien zelfs meer paarden een stuk lastiger is dan wanneer je ze aan huis hebt mag duidelijk zijn. Grootschaligheid vormt niet alleen in de vleesindustrie een belangrijke oorzaak van heftige en snel verspreidende uitbraken van ziektes, ook in de paardenwereld lopen we dit risico. Zeker wanneer paarden veel op stal staan, dicht bij elkaar en zonder voldoende frisse lucht is de kans op besmetting erg groot als het virus eenmaal binnen is.

Daarnaast is een optimale conditie en weerstand natuurlijk eigenlijk het belangrijkste. Een volwassen paard wat goed in conditie is en lekker in z’n vel zit zal in de meeste gevallen voldoende weerstand hebben om een influenzavirus het hoofd te bieden. Dat betekent goede voeding, goede huisvesting, frisse lucht en beweging en zo min mogelijk stress. Dus ook al is er een wedstrijd bij jou op stal waar alleen paarden van stal aan mee doen en er zijn geen zieke paarden… dan nóg is het verstandig die wedstrijd niet door te laten gaan zolang het virus in de omgeving rond gaat. Zoiets brengt namelijk altijd meer of minder stress met zich mee en het stresshormoon wat hierbij vrij komt drukt actief het immuunsysteem (hoe dat zit wordt een ander blog) en maakt een dier ontsteking- en infectie gevoeliger.

Mocht je paard dan toch nog klachten krijgen, dan kun je – al dan niet naast reguliere medicatie – het herstel bevorderen met behulp van homeopathie. Het voordeel daarvan is dat bij homeopathische behandeling niet alleen de symptomen behandeld worden, maar het paard ook werkelijk een sterker zelfherstellend vermogen krijgt en je met behulp van homeopathie eventuele restklachten of schadelijke gevolgen kunt helpen voorkomen of wegnemen als ze toch ontstaan. Daarnaast is het mogelijk om het vaccineren van je paard homeopathisch te begeleiden, om zo de mogelijke gevolgen van vaccinatie zo veel mogelijk te voorkomen en/of beperken.

Ik realiseer me dat dit een vrij lang blog is geworden maar ik wilde juist die extra informatie geven zodat je beter onderlegd een bewuste keuze kunt maken voor jóuw paard, in jóuw situatie. Zonder wat uitleg over waarom en hoe een en ander werkt blijft het bij relatief ‘loze’ kreten waar niemand iets aan heeft.
Uiteraard mag je ook altijd contact opnemen als je advies wilt voor jouw specifieke situatie en paard.